Zondagavond (top)

VoxClamantis.nl

Home - Funny stories - Religion - Politics - Science - Sex - Life - Pictures - Cartoons - Links - Contact

sitemap


Nu het einde niet meer zo eindeloos ver weg is, zoek ik naar mensen, die ik éénmaal in mijn leven heb meegemaakt zonder hen van nabij te kennen, maar die een onuitwisbare indruk op mijn hersenschors hebben vastgelegd.

Voor één van hen ben ik zo een grote bewondering blijven koesteren, dat ik er heel wat voor over zou hebben om hem persoonlijk de hand te drukken, al loop ik de kans, dat het ergens in een gevangenis zou moeten gebeuren. Hij was een eenvoudige robuuste verdachte, die een inbraak had gepleegd en tijdens zijn zaak door een berucht strenge president met een lorgnetje en een benige, verkalkende officier van justitie om het leven getutoyeerd werd, het was 'jij' voor en 'jij' na. Op zichzelf niets bijzonders. 

Bij die rechtbank, waar ik als jong verslaggever geregeld werkte, heerste toentertijd gelegaliseerde discriminatie tussen welbespraakte en goedgeklede notariële delinquenten en kleine bankiers, die middenstanders in armoe hadden gestort en 'diefjes', zoals de knekelige officier ze betitelde, platte praters zonder spreekvaardigheid, altijd serviel en gebogen en wanhopig glurend naar de toegevoegde advocaat, die er zich in die tijd nooit veel aan gelegen lieten liggen. 

Die verdachte, beschuldigd van een vrij fikse inbraak, vernietigde een zeer oude traditie en heeft, zonder dat hij het intens besefte, een vernieuwing aangebracht in een kleine sector van het strafproces. Hij was anders geaard dan zijn meelijwekkende soortgenoten, hij was een uniek geval. Toen er geruime tijd 'ge-jijd' en 'gejouwd' was, begon hij zeer rustig terug te tutoyeren en zei tot het lorgnet: 'Je denkt toch niet, dat ik zo dom ben als jij hier voorstelt. Ik begrijp niet, waar je heen wilt; je gelooft alles van die getuigen en je beschuldigt mij van leugens.' 

Er viel een doodse stilte in de rechtszaal, het moet net zoiets geweest zijn als verleden week in de Kamer toen minister Luns zich zijn 'godverdomme' door de microfoon liet ontvallen, een vloekwoord, dat ik niet letterlijk geciteerd heb gezien in enige krant die ik heb gelezen. Ik merk op dat ik voor die vloek alle begrip én waardering heb, het was trouwens de eerste duidelijke parlementaire uitspraak, die minister Luns sedert acht jaar heeft geleverd. 

De stilte in de rechtszaal duurde vrij lang, toen barstte de president, die zijn lorgnet van zijn neus had afgeknepen, op een zeer driftige manier los, de officier die, daar blijf ik bij, in ons land veel te dicht op de rechtsprekers zit en zich te nauw met hen verbonden voelt, sputterde een sissende begeleiding en maakte een paar snelle aantekeningen, kennelijk voor een zwaardere eis. Op hoge toon vroeg de president aan de verdachte of hij wel besefte waar hij was en voor wie hij stond, dat een rechtbank zich niet Iiet beledigen, of hij de consequenties doorzag en dat hij weggeleid zou worden met alle gevolgen van dien als hij zich niet fatsoenlijk gedroeg. 

De bewonderenswaardige verdachte zorgde toen voor het geweldige moment, dat ik niet meer kan vergeten. Hij wuifde  de zorgelijk ontwaakte toegevoegde kort, bleef rechtop de president aankijken, die nog steeds het lorgnetje in de geaderde hand geknepen hield, wachtte zorgvuldig tot alles weer rustig was en zei op uiterst hoffelijke toon: 'Neemt u me niet kwalijk, meneer de president, ik verexcuseer, ik dacht, dat 'jij' en 'jou' hier gewoonte was.'

Deze magistrale reactie, kersvers uit een toneelstuk van Courteline, bracht het vaste antirechterlijke publiek bij strafzaken tot een ovatie en een geluksgevoel bij mijn collega's en mij, met uitzondering van een veel oudere journalist die volgens geruchten zijn verslagen door de president liet lezen en via zijn grappige denigrerende opmerkingen over boeven en beschrijvingen van het ongunstige uiterlijk van misdadigers het lintje hoopte te krijgen, waarover hij bij de regen op 31 augustus (Koningin Wilhelmina bestierde ons land nog met strakke hand) binnen het stadhuis altijd een druiperig stukje mocht maken.

De president dan zat verbijsterd en verlamd achter de meervoudige tafel, leek een zeer stille beroerte nabij, zette snel zijn lorgnetje weer op, redde zijn figuur gedeeltelijk met het forse afhameren van de ovatie en richtte na lang nadenken met dichte ogen eindelijk opnieuw het woord tot de verdachte, die onbewogen en afwachtend voor het atavistische hekje stond (helaas nog niet gesloopt), volledig overtuigd van de rechtmatigheid van zijn repliek.

De president, toch nog sluw, hervatte zijn verhoor met een andere tactiek. Hij tutoyeerde niet meer, maar had in een bliksemflits ontdekt, dat hij nog winst kon behalen door het met nadruk te zeggen, telkens even wachtend, uiterst ironisch op de manier, waarop beginnende polemistjes of criticusjes een hun zeer bekende of zelfs familiaire figuur met 'de heer' betitelen. 

Het 'U' kwam er steeds trager en sarrender uit bij de president, de openbare knekel lachte zichtbaar vergenoegd, maar zij vergisten zich lelijk. De bewonderenswaardige verdachte, die aandachtig luisterde met een hand achter een oor, was feilloos in zijn contratactiek. Hij begon het abnormale 'U' van de president zorgvuldig te imiteren op een veel betere manier. Hij beschikte over meer stembuigingen en toonhoogten dan de president, wiens stembanden reeds in zijn lange schandelijke 'U' met overdreven nastudieduur versleten waren door twintig jaar ontgroenen. 

Het werd een spannend spel, de toegevoegde trachtte zijn cliënt op de knieën te krijgen met fluisteringen, maar de verdachte bleef in de houding en volhardde zó lang in een geladen sfeer, dat de president, die de onrustige blikken van de schuifelende raadsheren en van de schichtige griffier met geplakte haren op zich gericht voelde, moedeloos begon te worden en zijn verhoor voortzette volgens de gedegen burgerlijke omgangsvormen. Hij begon zeer duidelijk tabak van de pijnlijke affaire te krijgen. 

De ontwikkeling zette zich nog wonderlijker voort. De sclerotische aanklager, die op zijn beginnend doodshoofd nog de trekken droeg van de knaap die op de lagere school reeds ondeugende jongens aan de juffrouw of de meester verried, nam het sarren over en begon weer met 'jij' en dat hij dan haastig met geacteerde verontschuldigingen verving door een onhoorbaar 'U'. Daarover werd de president, die zich overtroefd zag, zo kwaad, dat hij een paar tikken met het hamertje gaf en de officier scherpjes verzocht de verdachte gewoon toe te spreken en beleefd te blijven, daarbij vriendelijk knikkend tegen de verdachte, die hem met een hoofdknik bedankte voor dit ingrijpen.

Het eind kwam snel. Het requisitoor van de klikspaan, meestal eentje van tien minuten, was bloedeloos en depressief. In deze minuten was hij klaar met een matige eis zonder de traditionele denigraties van de beschuldigde persoonlijkheid. De toegevoegde zei niets meer, de president besloot de zaak met zijn hamertje, de verdachte boog zeer diep en verliet rechtop het zaaltje naar het voorarrest, waar hij al drie weken de tijd sleet. 

De man had mij zo gefascineerd, dat ik twee weken later de moeite heb genomen de uitspraak te vernemen. Na een reeks snel uitgesproken vonnissen en enkele kreten van wanhoop, kwam mijn idool weer aangetreden. Ik zag de president even opschrikken en nadenken, de stervende van het O.M. dook in een dossiertje.
 
Het verliep keurig, het vonnis was milder dan de voortreffelijke verdachte had vermoed, hij glimlachte rustig, bedankte de president, boog en vertrok weer naar de gevangenis om de tijd uit te gaan zitten die overbleef na aftrek van de inmiddels tot vijf weken gestegen koers van het voorarrest. 
Ik heb in de gang van het gebouw naar hem gezocht, ik was te laat, hij was al weggevoerd. Als hij vrij was gelaten, had ik hem buiten het gerechtsgebouw willen omhelzen en mee willen nemen voor een uitstekend diner in het dure restaurant, waar ik het roestige radertje van het Openbaar Ministerie ook wel eens van een reerug had zien smullen. 

Die officier, dat ontdekte ik in de overlijdensberichten, is vijf maanden later gestorven. Zijn necrologie, ergens binnen het plaatselijke blad, was briljant, volgens die oudere journalist was hij een begaafd man, die geen concert oversloeg, die altijd een voorbeeld was geweest voor het moeilijke en verantwoordelijke ambt, hij behoorde tot het soort dat helaas uitstierf, de humane doch strenge officieren van justitie die onbaatzuchtig maar hard de misdaad straften. 

Hoe het ook zij, na dit strafrechterlijke voorval was ik ervan overtuigd dat de oude blinddoek van Vrouwe Justitia nog stevig zat vastgeknoopt. Er was nog een rechter in Nederland. Er zijn er nu nog veel meer, hoewel ik mij soms erg bezorgd maak over die blinddoek. Wordt dat ding wel geregeld gecontroleerd op motgaten en controleren de ambtenaren van het departement wel eens of die oogbedekking niet slap is gaan zitten. Bovendien mag die weegschaal bij tijd en wijle geijkt worden, ik geloof zelfs dat dit volgens het IJkwetje verplicht is. De vaste commissie van justitie moet eens op excursie gaan langs alle gerechtskooien. Er is ontzettend veel verbeterd, maar je weet nooit. 

Bron: Vrij Nederland, 14-1-1978, William Makepiece, pseudoniem van André Luyendijk.
 

(top)

 


Update: 21 February 2007   -   Comments: info@voxclamantis.nl   -   Copyright 2007-2013: voxclamantis.nl